Aanvallen
Functionele aanvallen zijn de meest voorkomende vorm van FNS. Ze heten ook wel niet-epileptische aanvallen, omdat ze op epileptische aanvallen kunnen lijken. Deze aanvallen zien er anders uit dan bij epilepsie. Ze kunnen bijvoorbeeld langer duren of tussentijds stoppen en daarna weer doorgaan. Als er schokken of trillingen zijn, zien deze er vaak ook anders uit dan bij een epileptische aanval. Soms kan iemand tijdens een aanval niet reageren, maar (deels) wel alles horen.
Kenmerken
1. Aanval met bewegingen. Met schokken en verkrampingen in het lichaam en/of de ledematen. Deze aanval kan soms veel lijken op een epileptische aanval.
2. Aanval zonder bewegingen. Met staren en minder goed of niet reageren. Ook met vallen en (soms lange) tijd stilliggen op de grond, wat op flauwvallen kan lijken.
Hoe wordt de diagnose gesteld?
De diagnose wordt gesteld door een neuroloog. Deze stelt de diagnose op basis van zien of een adequate beschrijving van de aanvallen, liefst ook met videobeelden van de aanvallen.
Tijdens functionele aanvallen zijn er op een EEG (elektro-encefalogram/hersenfilmpje) geen elektrische verstoringen zoals bij epilepsie meetbaar in de hersenen. Een EEG-onderzoek kan, naast gefilmde aanvallen, goed helpen om het verschil met epilepsie te bepalen. Als aanvallen lijken op flauwvallen wordt soms ook een ‘kanteltafeltest’ (met bloeddrukmeting) gedaan.
Oorzaken of risicofactoren
We weten niet waarom sommige mensen functionele aanvallen krijgen en anderen niet. Verschillende factoren kunnen een rol spelen. Het kan handig zijn om deze factoren op te delen in drie groepen, namelijk 1) risicofactoren, 2) uitlokkende factoren en 3) onderhoudende factoren. Een combinatie met biologische-, psychologische – en sociale factoren kan ook helpend zijn in het vinden van behandelbare oorzaken. In de tabel hieronder staat een aantal voorbeelden. Er kunnen natuurlijk nog veel andere factoren (trauma, depressie, angst en (het wegvallen van) overbelasting) een rol spelen.
Voor een aanval
Vaak merken mensen voordat een aanval begint al klachten. Dit zijn vaak lichamelijke klachten, zoals hartkloppingen, hyperventileren of hoofdpijn. Het kan erg nuttig zijn om deze klachten te herkennen, omdat ze soms kunnen helpen om aanvallen te voorkomen of uit te stellen (zie hieronder voor ‘behandeling’).
Een klacht die vaak voorkomt bij functionele aanvallen, is ‘dissociatie’. Dissociatie is het gevoel niet helemaal verbonden te zijn met de wereld, of het eigen lichaam. ”Op een andere golflengte zijn”, een gevoel niet helemaal wakker te zijn of een ‘licht in het hoofd’. Ook deze klachten kunnen nuttig zijn om te herkennen, zodat u uw eigen symptomen beter begrijpt en kunt leren hoe controle over de klachten te krijgen.
Behandeling
Net als bij andere vormen van FNS kunnen de klachten al verminderen en soms zelfs stoppen als de diagnose zeker is en er goede uitleg is geweest. Vaak is verwijzing naar een psycholoog nuttig, om in gesprekken verder uit te zoeken welke factoren (zie oorzaken en risicofactoren) belangrijk kunnen zijn. Dit is namelijk per persoon verschillend.
De psycholoog kan daarna een verklaringsmodel (‘wat verklaart de aanvallen?’) opstellen en kijken welke behandeling het beste zou kunnen werken. Doel van de behandeling is om meer grip op de aanvallen te krijgen, de aanvallen te verminderen of zelfs te stoppen.
Als er bepaalde onderliggende factoren zijn, zoals depressie of (psychisch) trauma, dan is het belangrijk om deze apart te behandelen (bijvoorbeeld via een psychiater). Is er naast de FNS aanvallen ook sprake van epilepsie, dan is het natuurlijk ook belangrijk dit apart te behandelen (meestal met medicatie).
Voor functionele aanvallen wordt er vrijwel nooit medicatie voorgeschreven. Wel zijn er andere manieren om aanvallen te stoppen, ook als ze lang duren. Zie hieronder enkele adviezen.
Tijdens een aanval
De beste manier om met een aanval om te gaan, verschilt per persoon. Hier volgen een aantal algemene adviezen:
Voor patiënten:
- Neem uw klachten altijd serieus. Weet dat u niet ‘alsof’ doet, dat u zich niet aanstelt en dat u niet ‘gek aan het worden bent’. Het zijn aanvallen met lichamelijke kenmerken en klachten.
- Vinden mensen uit uw directe omgeving het moeilijk om met uw aanvallen om te gaan? Vinden ze het misschien eng of begrijpen ze niet wat er gebeurt? Het kan helpen als ze weten wat functionele aanvallen zijn. Dat ze onbewust optreden en dat u er geen invloed op heeft, maar steun en begrip fijn zouden zijn. Vertel ze over uw aanvallen, wat dat met u doet en wat u nodig heeft.
- Functionele aanvallen zijn niet gevaarlijk voor uw hersenen. Wel kunt u zich verwonden door aanvallen, bijvoorbeeld als u valt. Tijdens een aanval kunt u soms minder goed reageren. Heeft u dit soort aanvallen? Vertel dit dan aan uw omgeving. Dan kunnen mensen u tijdens een aanval helpen en ervoor zorgen dat u veilig bent.
Voor naasten:
- Zorg ervoor dat de persoon met aanval zich niet (nog meer) kan bezeren. Probeer hierbij hem/haar zo min mogelijk aan te raken, omdat dit extra spanning en emotie kan uitlokken en daarmee kan leiden tot meer aanvallen.
- Spreek rustig en laat weten dat hij/zij veilig is. Mensen met functionele aanvallen kunnen vaak niet reageren, maar vaak wel dingen horen.
- Soms is het juist goed om afstand te nemen, maar te laten weten dat je zo terug bent.
- Als er tijdens de aanval ook sprake is van hyperventilatie, laat hem/haar op de ademhaling letten, rustig in- en uitademen. Eventueel kunt u een hand op de buik laten leggen.
- Een functionele aanval gaat altijd vanzelf over, ook lange aanvallen geven geen schade aan de hersenen.
Verschillende namen
Andere (verouderde) namen voor functionele aanvallen zijn: niet-epileptische aanvallen, (functionele) dissociatieve aanvallen, pseudo-epilepsie, psychogene niet-epileptische aanvallen (PNEA).